De grauwe gans; eerst gewild en nu gedumpt

Het is onvoorstelbaar hoe snel het sentiment in de natuurbescherming kan omslaan. In de eerste helft van de 20ste eeuw stierf de grauwe gans als broedvogel in Nederland uit. In de jaren zeventig van de vorige eeuw is vervolgens geprobeerd de soort als broedvogel terug te krijgen door in het natuurgebieden de Rottige Meente en de Alde Faenen grauwe ganzen uit te zetten. Dat sloeg niet echt aan. De grauwe gans keerde wel vanaf 1940 spontaan als broedvogel terug in de drooggevallen IJsselmeerpolders. Voor hun ontginning waren al die polders een groot moerasgebied. Door de ontginningen verdween de grauwe gans daar weer als broedvogel, behalve in Zuid Flevoland, waar een groot natuurgebied aanwezig bleef in de vorm van de Oostvaardersplassen.

Maar in dat natuurgebied keerde de grauwe gans behalve als broedvogel, ook als niet broedende, ruiende vogel terug. Dat zijn ganzen die nog niet geslachtsrijp zijn. Dat duurt bij de grauwe gans namelijk 3 tot 4 jaar. Eenmaal volwassen vormen ze een paar voor het leven. Deze onvolwassen niet-broeders zoeken in mei, juni, juli gebieden op waar ze in alle veiligheid de vleugelrui kunnen doormaken. In die periode kunnen ze ongeveer een maand niet vliegen, want alle handpennen vallen dan in één keer uit hun vleugels. Ze degraderen dan van vliegende vogel tot voetvolk en zijn daardoor zeer kwetsbaar voor roofdieren. Ze zoeken daarom voor roofdieren zo ontoegankelijk mogelijke gebieden op, zoals de uitgestrekte rietvelden in het moeras in de Oostvaardersplassen. Ze komen daar elk jaar met tienduizenden naar toe de. In het moeras houden ze zich in leven door de bladeren van het riet te eten. Om bij de bladeren te kunnen komen knakken ze de rietstengels. Het resultaat van hun vraat is dat ze dichte rietvelden omtoveren in een mozaïek van afwisselend ondiep klein en grootschaliger open water en rietbegroeiing. Zo scheppen ze het leefgebied van tal van in het moeras broedende soorten vogels. Op deze manier “beheren” zij als het ware het moeras. Zonder de ruiende grauwe ganzen zouden die andere soorten vogels daar niet kunnen voortbestaan.

nogorogoro

De ontdekking van de rol van grauwe ganzen in het moeras in de Oostvaardersplassen zorgde bij mij voor een omwenteling in mijn denken over natuur, natuurbescherming en natuurbeheer. Mijn conclusie was dat als een natuurgebied maar groot genoeg is, bepaalde grote, verdwenen diersoorten daar kunnen terugkeren en natuurbeheer door mensen overbodig maakt.
Na die ontdekking kwam ik in aanraking met een boek, waarin die ontdekking eigenlijk al min of meer stond opgeschreven, maar waar kennelijk geen brede bekendheid aan was gegeven. Het boek heet: Ganzen in Nederland (Lebret et al., 1976). Daarin staat dat grauwe ganzen zorgen voor de instandhouding van de moerasvegetatie. Moerasgebieden zonder grauwe ganzen hebben geen natuurlijke vegetatie hebben. Voor het beheer van natuurreservaten in natte gebieden moet er daarom een behoorlijke populatie grauwe ganzen huizen. In het boek staat ook dat alleen het instellen van een groot reservaat in Zuidelijk Flevoland kan zorgen voor “natuur beherende grauwe ganzen” die milieudynamiek in het moeras zorgen en daarnaast grazende grote hoefdieren die voor aan het moeras grenzende graslanden voor de ganzen moeten zorgen.  Je vraagt je af waarom dat boek niet heeft geleid tot een luide roep vanuit de natuurbescherming geleid om een groot natuurreservaat in de nieuwe polders met grauwe ganzen als de natuurlijke beheerders daarvan. Mijn antwoord daarop: conservatisme en angst. Ik zal uitleggen wat ik daarmee bedoel.

Menig vogelaar herinnert zich nog de Knardijk in Oostelijk Flevoland, de polder die in 1958 droogviel. Over een lengte van meer dan 20 km strekten zich langs deze dijk velden van riet en lisdodden met hier en daar kwelplassen uit. Uit het riet stegen regelmatig wolken van de zeldzame baardmannetjes op en daalden er weer in neer. Als je roerdompen wilde horen of zelfs zien, dan moest je daar zijn. Daar huisden ook broedende grauwe ganzen. Dit enorme, duizenden hectaren grote natuurgebied verdween. Het werd door ontginningen teruggebracht tot een schamele 187 ha in de vorm van het reservaat De Harderbroek, en er was geen natuurbeschermer die daar zijn stem tegen verhief. Zeker de vogelaars niet, want dat zijn mensen die de dingen graag voor zichzelf houden, en ik kan het weten, want ik was er zelf zo eentje en kende daarom ook dat wereldje een van binnenuit. Maar het had ook te maken met hoe er toen in de natuurbescherming over natuur werd gedacht. Natuur, dat was voedselarme grond, daar vond je de begroeiingen met leuke soorten planten. Rijke bodems werden altijd vergeleken met over-bemest boerenland; het leverde vooral brandnetels en distels op. Hier ging het om een moeras met een voedselrijke kleibodem met maar een paar algemene, oninteressante soorten planten; riet en lisdodde. Dat kon een aantal jaren interessant zijn door de enorme aantallen vogels die daar profijt van hadden, maar het veranderde onherroepelijk in korte tijd door de rijke bodem in een moerasbos. De vogels die het gebied als moeras interessant maakte, verdwenen daardoor en dus was zo’n gebied dan niet meer interessant. Het moeras in stand houden was onmogelijk, want dan moest je over die enorme oppervlakte het riet gaan maaien. Dat was toen het klassieke idee over het beheren van de moerasbegroeiing. Als dat technisch al zou kunnen, dan werd het vanwege de enorme kosten onbetaalbaar. Dus grote natuurgebieden op voedselrijke grond in Nederland; dat kon niet en dat wilde de natuurbescherming in ieder geval niet. Het werd dus zonder veel bezwaar aan de landbouw gelaten.

nogorogoro

Er kwamen wel natuurgebieden in Oostelijk Flevoland, maar dan van het formaat op het oude land; klein en bovendien kopieën van wat daar voor natuur doorging; een moerasje, opgedeeld in compartimenten om de waterstand per compartiment apart te kunnen regelen en waar traditioneel het riet werd gemaaid (de Harderbroek, 187ha); enkele percelen grasland met aan de landbouw ontleend weidevogelbeheer (De Kievietslanden, 98ha), een botanisch graslandreservaat met aan de landbouw ontleend maaibeheer (Greppelveld, 40ha), een heggenlandschap (de Wildwallen, 60ha), een kiekendievenreservaat (De Burchtkamp, 93ha) en een enkel overhoekje (de Kamperhoek, 40ha). In dit Natuur-Madurodam kon de grauwe gans zich als broedvogel niet handhaven, dus hij verdween opnieuw uit Nederland, om daarna in 1971 broedend op te duiken in de in 1968 drooggevallen Zuidelijk Flevoland. Maar geen woord vanuit de natuurbescherming over een groot natuurgebied in deze nieuwe polder. De boodschap in 1976 in het boek Ganzen in Nederland was kennelijk aan dovemansoren gericht, of misschien ook niet. Mij werd in 1979, toen ik mij voor het behoud van de Oostvaardersplassen inzette, verweten dat ik daarmee de inpolderraars en polder-ontginners – de toenmalige Zuiderzeewerken en de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders – een argument in handen gaf om nog een polder aan te leggen, namelijk de Markerwaard. Dat zou ten koste gaan van watervogels, vooral het nonnetje. De strategie was kennelijk, zeg niets positiefs over de nieuwe polder.

Voor mij als net afgestudeerde ecoloog - weliswaar vanuit mijn hobby als vogelaar – was wat er in de polder gebeurde juist een eye-opener; een venster op hoe natuur in het dicht bevolkte en geïndustrialiseerde Nederland ooit was en nog steeds kon zijn. Niks kleinschalig en aftreksel van de landbouw, nee, grootschalig op eigen benen. Ik kwam met de Oostvaardersplassen in aanraking door het artikel “De Oostvaardersplassen; een nieuw natuurgebied in Nederland” in het tijdschrift De Lepelaar van januari/februari 1979. Het was geschreven door Ernst Poorter, een bioloog in dienst van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Hij beschreef de rol van de grazende grauwe ganzen in het moeras, namelijk door hun begrazing het leefgebied van tal van het moeras bewonende soorten vogels ontwikkelen en in stand houden.

Voor mij leverde het gebied nieuwe inzichten op over het functioneren van de natuur. Natuurlijke processen als begrazing in combinatie met dynamiek van het waterpeil konden als een soort Doornroosje wakker worden gekust. Natuurlijke processen zijn als het ware tijdloos. Zij konden nog steeds zorgen voor het voortbestaan van allerlei wilde planten- en diersoorten. Daar was dus niet uitsluitend een vrouw of een man voor nodig in de vorm van een beheerder, zoals de heersende opvatting in het natuurwereldje was. We kunnen grote natuurgebieden in Nederland hebben zonder dat het beheer onbetaalbaar wordt. Sterker nog, hoe groter een natuurgebied, des te goedkoper het beheer per oppervlakte eenheid. Maar dan moeten we de soorten die op een natuurlijke manier beheren wel omarmen en daartoe lijken natuurorganisaties niet bereid te zijn, zoals blijkt uit het bestrijden van zogenaamde “zomerganzen” of “standganzen”. Ik heb buiten de waard hun conservatisme en behoudzucht gerekend. Niks nieuwe inzichten over beheer en kansen voor meer natuurlijkheid in natuurgebieden. De teruggekeerde grauwe gans wordt vanuit de natuurbescherming met de nek aangekeken. Vogelbescherming vindt dat het in de eerste plaats om de bescherming moet gaan van ganzen die hier komen overwinteren, dus ganzen die hier niet broeden. Waarom eigenlijk? Omdat het tot voor kort zo was? Mogen verdwenen broedvogels niet terugkeren? Raar, want ze schreeuwen wel moord en brand als een vogelsoort dreigt te verdwijnen, zoals de patrijs of de grutto. Kennelijk is het zo dat als een soort verdwenen is, men meent dat die er ook niet hoort te zijn. Terugkeer betekent dat nog aanwezige soorten misschien moeten inschikken en dat kan natuurlijk niet. Ze praten nu over zomerganzen, alsof het om buitenlandse “winterganzen” gaat die zich hier zonder verblijfsvergunning hebben gevestigd. Straks hebben ze het ook over de broedende zeearenden als “zomerarenden” of “standarenden”, overwinteraars die hier zijn gaan broeden, maar dat eerder niet deden. Als wintergast moeten ze worden beschermd, omdat zoals Vogelbescherming het zegt, we een goede gastheer moeten zijn voor vogels uit het buitenland. Maar hier broeden, dat mag niet, want dat kan weleens problemen geven met al aanwezige broedvogels. Het gaat ze om een bepaalde toestand te handhaven; de fixeerspuit er over.

nogorogoro

Wat de grauwe gans met zijn terugkeer aantoont is dat de natuurbescherming vast zit in oude denkbeelden. In plaats van te roepen dat de reservaten waar nu grauwe ganzen broeden, de moerassen, niet complete ecosystemen zijn en dat die compleet gemaakt moeten worden door aangrenzende graslanden vrij te maken van de landbouw en als natuurgebied te bestemmen ten behoeve van de teruggekeerde broedende grauwe gans, stemt men in het bestrijden van hen, nota bene zelfs in de moerassen. Het klassieke natuurbeeld van een moeras als ecosysteem, namelijk alleen moeras als natuurgebied, is achterhaald.

Kan schade aan de landbouw door de teruggekeerde broedende en ook niet-broedende ruiende grauwe gans – want daar draait het eigenlijk allemaal om – worden voorkomen, of in ieder geval worden verminderd? Ja, dat kan. Dat tonen de Oostvaardersplassen aan. Daar is de combinatie van moeras met aan het moeras grenzend grasland in één samenhangend natuurgebied in de jaren tachtig van de vorige eeuw al gerealiseerd. De tienduizenden grasetende “zomerganzen” en “winterganzen” blijven daar beperkt tot het grasland in het natuurgebied. Die combinatie is in de jaren tachtig van de vorige eeuw bepleit door Fred Baerselman, Leen de Jong en ik en op de landbouw bevochten. Die eiste namelijk die die gronden voor boeren op. Wij hebben ons toen met hand en tand tegen die eis verzet met als argument dat het garantie zou zijn op een permanente oorlog tussen boeren en ganzen. En gelijk hebben we gekregen. Kijk maar naar de oorlog die overal in Nederland tegen de “zomerganzen” wordt gevoerd, op één plek na: de Oostvaardersplassen. De tienduizenden zomer-grauwe ganzen die in het moeras komen ruien, komen uit alle delen van noordwest Europa. Ze verzamelen voor en na de rui op graslanden die grenzen aan het moeras. Ze gaan het moeras pas in als de handpennen als het ware al uit hun vleugels vallen. De meer dan duizend broedparen die in het moeras nestelen, gaan met hun jongen, nadat die uit het ei zijn gekropen, onmiddellijk naar de aangrenzende graslanden om ze daar te laten grazen. Dat grasland is niet in handen van boeren maar aanwezig als natuurgebied. Behalve in de zomer, verblijven daar ook vele tienduizenden ganzen in de winter, en dat allemaal zonder problemen met boeren uit de omgeving van het natuurgebied. Wat ik diep treurig vind, je hoort in de kringen van de natuurbescherming niets over de Oostvaardersplassen als het om ganzen gaat. Er wordt in de hele discussie over “zomerganzen” met geen woord gerept over het compleet maken van het leefgebied van “zomerganzen”, om daarmee het probleem van schade aan de landbouw te voorkomen of voor een deel op te lossen. De oplossing waar de natuurbescherming voor kiest is precies de oplossing die in Nederland en verder in Europa leidt en heeft geleid tot het verdwijnen – of eigenlijk uitroeien – van diersoorten die op de een of andere manier de landbouw tot last waren of zijn. Maar waarom zijn ze dan ook de natuurbescherming tot last? Is dat het meevoelen met boeren? Maar als dat zo is, waarom dan ook niet de “zomer-weidevogels”, zoals de grutto bestrijden? Daar hebben de boeren toch ook last van in hun bedrijfsvoering? Dat blijkt wel uit dat boeren dik moeten worden betaald om ze te verleiden deze “zomer-weidevogels” op hun land te gedogen. Of heeft dat te maken met het feit dat natuurorganisaties vinden dat “zomer-weidevogels” horen bij de status quo die niet mag veranderen en “zomerganzen” juist zorgen voor verandering? Die vraag stellen is hem beantwoorden.

De discussies rond de teruggekeerde grauwe gans toont aan dat men in de natuurbescherming het liefst alles zoveel mogelijk bij het oude wil houden. En omdat alles bij het oude moet blijven, moet de landbouw dat ook. De landbouw verandert dan toch, omdat het daarin niet gaat om het behoud van natuur. Als gevolg daarvan blijft de natuurbescherming maar achter de kar van de veranderende landbouw aanhobbelen in de hoop dat er nog een paar kruimels voor natuur van die voortgaande kar afvallen. Een echt van de landbouw onafhankelijk natuurgeluid vanuit de natuurbescherming als tegenwicht ontbreekt. De teruggekeerde grauwe gans is daar nu het slachtoffer van. Wat er nog aan ontbreekt, is dat de Oostvaardersplassen wordt aangewezen als de bron van alle ellende en dat daarom daar de “zomerganzen” moeten worden bestreden. Dan wordt alles weer echt als vanouds. Het beheer van het moeras wordt een kopie van het natuurbeheer  op het oude land, riet maaien dus, maar dat is te duur. Het gebied is dus niet meer te beheren, dus moet het kleiner worden. Het wordt in alles een kopie van het oude land, zoals in Oost Flevoland. Niks innovatieve ideeën als natuurontwikkeling; allemaal nieuwlichterij. Bij de landbouw gaat de vlag uit.

Frans Vera, 4 maart 2013

“De relatie met de biotoop is bij de grauwe ganzen echter geen eenrichtingsverkeer: niet alleen zorgt de plantengroei voor de “instandhouding” van de grauwe Ganzen, maar deze vogels dragen ook bij tot instandhouding van de moerasvegetatie, doordat zij de successie afremmen of ombuigen in de richting van een cyclische (“kringloop”-) successie. Dit impliceert, dat moerasgebieden waar grauwe ganzen ontbreken door menselijke verstoring, geen natuurlijke vegetatie hebben. Bij het beheer van natuurreservaten in natte gebieden dient men dan ook te zorgen, dat er een behoorlijke populatie grauwe ganzen huist. De dichtheid daarvan is vers twee. Maar juist in de vegetatie-periode – grofweg maart september – moeten de grauwe ganzen de vegetatie in toom helpen houden.” (Lebret et al., 1976, pg. 52).

“Grootschalige inpolderingen – Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland – waar het in cultuur brengen vijf tot acht jaar kan duren – hebben tijdelijk zeer geschikt grauwe ganzen-biotoop, maar daarna is het uit: het zijn weggooi-biotopen. Alleen de instelling van een permanent reservaat in Zuidelijk Flevoland kan baten. Daar moet dan bovendien de juiste soort en de juiste hoeveelheid milieu-dynamiek worden “toegevoegd” door adequate beheerstechnieken, waarbij zowel aan biotische als abiotische milieu-dynamiek moet worden gedacht. De eerste leveren de ganzen zelf, maar ze kunnen het niet alleen en hebben naast zich grazende hoefdieren nodig.” (Lebret et al., 1978, pag. 55).

Volg Frans Vera ook op TWITTER twitter