PDF van het proefschrift van Frans Vera; Metaforen voor de wildernis. Eik, hazelaar, rund en paard en zijn boek Grazing Ecology and Forest History

Hierbij het proefschrift van Frans Vera uit 1997, Metaforen voor de wildernis. Eik hazelaar, rund en paard, vrij beschikbaar om te downloaden.

Klik op de bron om te downloaden

Enkele correcties voor de tekst (Errata) en de stellingen voor het proefschrift staan achteraan. Het proefschrift aan dat de theorie dat Europa na de laatste ijstijd bedekt was door een gesloten bos moet worden verworpen. Deze theorie is tot stand gekomen met op voorhand de invloed van grote wilde hoefdieren als rund, paard, edelhert en wisent op de ontwikkeling van de natuurlijke begroeiing uit te sluiten. De theorie van het gesloten bos is namelijk gebaseerd op de spontane bosvorming op verlaten landbouwgrond zonder dat enige invloed van grote wilde hoefdieren daarbij aanwezig was. Ook negeert deze theorie het verschuiven van de betekenis van woorden in de loop der eeuwen. Woorden als “Wald”, “woud”, “wold”, “Forst”, “fôret” en “forest”, die tegenwoordig bos betekenen, hadden die betekenis in de oorspronkelijke teksten niet. Een sleutelrol in zijn proefschrift spelen licht-behoeftige plantensoorten, vooral boom- en struiksoorten, zoals zomer- en wintereik en struiken als hazelaar. Daarvan is het fossiele stuifmeel in relatief hoge percentages is aangetroffen in de prehistorie. Zij kunnen zich niet in gesloten bossen handhaven. Dat blijkt uit de ecologische eigenschappen van die soorten en de resultaten van tientallen jaren tot meer dan 100 jaar spontane ontwikkelingen in vele bosreservaten en de ervaring in de bosbouw.

Daarnaast is hierbij de PDF beschikbaar van de Engelse uitgave uit 2000, getiteld Grazing Ecology and Forest History. Dit is de Engelse vertaling van het proefschrift, uitgebreid met de situatie in het oosten van de Verenigde Staten. De reden voor deze uitbreiding is dat daar licht-behoeftige soorten bomen en struiken van dezelfde familie als in Europa en dat deze zich ook niet in de schaduw van bos kunnen handhaven. De figuren in deze PDF zijn verhaspeld door de uitgever, zodat niet het boek integraal kon worden gedownload. Deze versie was op internet vrij beschikbaar en is dat hierbij ook.

Aan f=dit boek wordt nog steeds veel aandacht besteed in wetenschappelijke discussies over de vraag van hoe de natuurlijke begroeiing er oorspronkelijke uit heeft gezien en wat daarin de betekenis van grote wilde herbivoren is geweest. Discussies vinden vooral plaats in de resultaten van fossiel stuifmeel. Kern daarin is dat het percentage stuifmeel van niet boompollen (grassen en kruiden) een volstrekt onbetrouwbare maat is om de openheid van een landschap te bepalen en dat is nu juist op grond waarvan onderzoekers van fossiel stuifmeel altijd hebben gesteld dat daarmee was bewezen dat het landschap uit gesloten bos bestond. Zoals de onderzoeker Shinya Sugita vermeldde in een tweetal wetenschappelijke publicaties in 2007.

“In spite of several reviews that challenge Vera’s hypothesis (Svenning, 2002; Birks, 2005; Mitchell, 2005), reliable estimates of landscape openness at local and regional scales are lacking that could be used to test this hypothesis.”  Citaat van pag. 230 in: Shinya Sugita (2007a). Theory of quantitative reconstruction of vegetation I: pollen from large sites REVEALS regional vegetation composition. The Holocene 17, pag. 229-243.

“According to Vera’s open-woodland hypothesis (Vera, 2000), the impacts of grazing animals must have been heavy, producing fairly open forest in the early Holocene. Several authors have used the proportion of fossil pollen from non-arboreal plants as an indicator of landscape openness (Berglund, 1991; Mitchell, 2005). However, Broström et al. (1998) and Sugita et al. (1999) used surface samples and models to show that non-arboreal pollen proportions are not a reliable measure of the landscape openness. More accurate and objective methods for quantitative reconstruction of vegetation are necessary to test the hypothesis that herbivores produced a semi-open landscape. Thus, the theory and method proposed in this paper will be a valuable tool for testing hypotheses by quantifying past landscape patterns in Europe, North America (Foster and Motzkin, 2003) and other regions.” Citaat van pagina 244 in: Shinya Sugita (2007b). Theory of quantitative reconstruction of vegetation II: all you need is LOVE. The Holocene 17, pag. 243-257.

De onbetrouwbaarheid van het percentage niet boompollen als een maat voor de openheid van een landschap illustreren S. Sugita, M.-J. Gaillard en A. Broström in een artikel uit 1999:: Landscape openness and pollen records: a simulation approach. The Holocene 9 (4), pag. 409-421.

Volg Frans Vera ook op TWITTER twitter