blogs
CV Frans Vera
Frans Vera is geboren op 4 juni 1949, is getrouwd en heeft twee kinderen. Hij studeerde in 1978 af aan de Vrije universiteit in Amsterdam in de biologie. Hij koos voor de richting ecologie, omdat hem de natuur als geheel, als ecosysteem fascineerde. Hij heeft zich altijd aan de natuurbescherming willen wijden en meende dat dit het beste te kunnen doem met kennis van de ecologie in combinatie met vakken als planologie en milieukunde, omdat natuur ruimte vereist en een schone, d.w.z.  een niet verontreinigde omgeving. Hij begon bij het Staatsbosbeheer en was verder werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Universiteit van Wageningen en daarna weer bij het Staatsbosbeheer. Hij werkt nu bij de Stichting Natuurlijke Processen. In 1997 promoveerde hij aan de Wageningen Universiteit met het proefschrift Metaforen voor de wildernis. Eik, hazelaar rund en paard. In 2000 verscheen daarvan een Engelse geactualiseerde uitgebreide versie onder de titel Grazing Ecology and Forest History.

De rode draad in de ontwikkelingen van de ideeën van Frans Vera over natuur
Het natuurgebied de Oostvaardersplassen loopt als een rode draad door zijn loopbaan. Al voor zijn eerste baan bij het Staatsbosbeheer kwam hij er mee in aanraking door een artikel van de bioloog Ernst Poorter in het blad De Lepelaar (zie literatuurlijst). Naar aanleiding daarvan schreef hij een artikel over de Oostvaardersplassen in het tijdschrift Natuur en Milieu in maart 1979 om het gebied beschermd te krijgen. Door de ontwikkeling van begrazing van riet in het moerassige deel van het natuurgebied door tienduizenden ruiende, niet broedende grauwe ganzen grazende, rees bij hem de vraag of de klassieke opvatting in de ecologie, namelijk dat plantenetende dieren altijd de ontwikkeling van de begroeiing volgen wel klopte.

frans vera

Al grazend schiepen de grazende grauwe ganzen de leefomstandigheden voor allerlei soorten broedvogels in het moeras. Via de grazende grauwe ganzen werd hij door de in 1991 overleden bioloog Harm van de Veen op het spoor gezet van de rol van grote plantenetende zoogdieren in natuurlijke ecosystemen. Ook die bleken al grazend en snoeiend op tal van plaatsen in de wereld de leefomstandigheden voor allerlei soorten planten en dieren te scheppen en in stand te houden. Dat leidde op zijn beurt dat bij Frans Vera tot twijfel rees over de in ecologie, bosbouw, natuurbescherming en natuurbeheer aangehangen opvatting dat in ongerepte staat op plekken in Europa waar bomen konden groeien een gesloten bos aanwezig was. Dat betekende namelijk dat de Europese inheemse grote planteneters oerrund (de wilde voorouder van onze huisrunderen), tarpan (de wilde voorouder van onze huispaarden), wisent, edelhert, eland, ree en wild geen enkele invloed zouden hebben gehad op de ontwikkel ing van de natuurlijke begroeiing. Zij zouden die alleen maar gevolgd hebben. Dat was in ieder geval in tegenspraak tot wat hij grauwe ganzen in het moeras zag doen. Omdat deze inheemse soorten hoefdieren dat boven bepaalde dichtheid wel kunnen, is het gesloten bos als ijkpunt voor de natuur bepalend geworden voor wat men in de wetenschap beschouwd als natuurlijke dichtheden van deze dieren. Dat zijn dan hele lage, die door middel van jacht en afschot worden gerealiseerd.

Voor Frans Vera was het effect van de ruiende grauwe ganzen in het moerassige deel van de Oostvaardersplassen een eye-opener die leidde tot het vertalen van die rol naar wilde grote hoefdieren. Dat betekende dat dichtheden veel hoger dan wat tot dan toe voor natuurlijke doorging essentieel konden zijn voor het voortbestaan van tal van andere diersoorten. Uiteindelijk heeft dat geleid tot zijn proefschrift en zijn Engelse boek met een alternatieve theorie over de oorspronkelijke aanwezige ongerepte begroeiing en de rol die inheemse grote wilde hoefdieren daarin speelden. Dat was een parkachtig landschap van in de loop der tijd van plaats veranderende graslanden, struiken, bomen, struwelen en bosschages. Het essentiële verschil met de oude theorie was dat de inheemse grote wilde hoefdieren graslanden schiepen en in stand hielden. En de aanwezigheid van graslanden buiten het moeras bleek essentieel te zijn voor de ruiende grauwe ganzen om zich voor en na de rui daar te kunnen verzamelen. Zonder die graslanden en dus zonder de wild levende hoefdieren zouden de ruiende, niet broedende grauwe ganzen in het moeras ontbreken. Het gevolg daarvan is dan een cascade aan gebeurtenissen in het moeras die leidt tot de ontwikkeling van een moerasbos, waardoor in het rietland en de rietruigte voorkomende soorten vogels in het moeras verdwijnen.

Door dit alles is Frans Vera tot de conclusie gekomen dat de inheemse, grote wilde hoefdieren een sleutelrol speelden in het voortbestaan van allerlei soorten planten en dieren in de natuur en dat opnieuw kunnen doen in natuurgebieden. Het resultaat is dan een veel hogere graad van natuurlijkheid en veel lagere kosten voor het natuurbeheer. Dat vereist wel een aantal veranderingen in de overheersende natuurbeelden die zijn afgeleid uit het ijkpunt voor de ongerepte natuur van het gesloten bos. Lang niet iedereen deelt de ideeën van Frans Vera. Er wordt nog steeds heftig over gedebatteerd, op internet, in kranten en in wetenschappelijke en in populair wetenschappelijke tijdschriften. Bij de tegenstanders lopen de emoties soms hoog op, wat tot rabiate reacties leidt.

frans vera 2